Soest in het kort

Soest nu

De gemeente Soest heeft ruim 45.000 inwoners en ligt in het centrum van het land. Er is een opmerkelijke verscheidenheid  aan natuurschoon: akkerbouw- en weilanden, bos, duin en een uitgestrekt heidegebied. De bestaansbronnen zijn industrie, dienstverlening en landbouw.

Soest ligt ongeveer 20 km van Utrecht, 7 km van Amersfoort en en 10 km van Hilversum. Met deze plaatsen zijn er goede bus- en treinverbindingen.

Er zijn twee bebouwingskernen, omgeven door bossen, akkerbouw- of weilanden. De grootste kern is Soest, van oudsher bestaande uit Soestdijk, het oorspronkelijke dorp Soest en Soest-Zuid. Deze drie kernen hebben elk een eigen station langs de spoorlijn Utrecht-Baarn. Door nieuwbouw aan de westzijde zijn deze kernen langzaamaan verbonden met het wat verder afgelegen buurtschap Hees, op de grens van het natuurmonument Soesterveen en de bossen van Pijnenburg.

De andere, kleinere bebouwingskern is Soesterberg. Dit ligt aan de andere kant van de "Soester berg" en de voormalige vliegbasis. Tussen deze twee kernen in ligt het kleine buurtschap Soestduinen, geheel omgeven door bossen.

Ontstaansgeschiedenis

Hoewel de kern Soest in de loop der jaren een  andere vorm heeft gekregen door diverse woningbouwprojecten, kun je nog steeds de oorspronkelijke lintbebouwing herkennen. Deze is te verklaren door de aanwezigheid van de Soester Eng. Soest is van oorsprong een boerendorp. De tientallen boerderijen lagen vooral langs de hoge gronden, aan de voet van de Eng. Hier (en op de grens van de naar de rivier de Eem aflopende weilanden) ontstond rondom de Oude Kerk het oude dorp Soest. Van de aanvankelijk tientallen boerderijen zijn er nog maar enkele in bedrijf.

Door de aanleg van de spoorlijn en goede verbindingswegen kwam Soest steeds meer in trek als woonplaats voor stedelingen. Zij gaven de voorkeur aan de rust van het buiten wonen boven het lawaai en de benauwenis van de stad. Deze immigratiestroom leidde tot een sterke uitbreiding van de gemeente, vooral rondom en op de Eng. Ook in Soest-Zuid, Soestdijk en het Soesterveen werden bouwlocaties gevonden. En in het noordwesten zijn twee industriegebieden gevestigd.

Natuur

Door de bebouwing mag dan natuurschoon verloren zijn gegaan, de grote verscheidenheid is gebleven. In het noord-oosten loopt de rivier de Eem met aan weerszijden weilanden. In Soest-Zuid vindt men de Soester bossen en duinen, een reservaat van ongeveer 500 ha. Dit gebied strekt zich uit van de bossen van Birkhoven (Amersfoort) tot die van Pijnenburg. De zandvlakten van de Soester stuifduinen vormen een aantrekkelijk gebied dat erg in trek is bij dagtoeristen. De bossen van Pijnenburg vormen voor velen eveneens een graag bezocht rustpunt. In het nabij gelegen Soesterveen liggen twee kleine natuurreservaten die voor plantenkenners een studiegebied zijn van buitengewone betekenis.

Stedenband

Soest heeft een stedenband met de stad Soest in Westfalen (Duitsland).

Van de eerste ontwikkeling van Soest is weinig bekend. Wel hebben historici kunnen achterhalen dat plus minus 11.000 jaar voor Christus, verschillende jagersgroepen deze streek bevolkten. In de Soester duinen zijn werktuigjes gevonden van ongeveer 8.000 jaar voor Christus, terwijl van plus minus 2.000 jaar voor Christus nog verschillende grafheuvels zijn overgebleven, onder andere het Enghenbergje, gelegen op de Eng temidden van de bouwlanden en een aantal in het gebied Korte Duinen/Monnikenbos, tussen Soest-Zuid en Amersfoort.

Dit alles toont wel duidelijk de hoge ouderdom van Soest aan. Het was één van de oudste nederzettingen in het Sticht.

De oudste beschrijving uit de historie van Soest dateert uit het jaar 1029. Vanaf die tijd zijn de meeste gebeurtenissen vastgelegd.

Vroeger werd Soest ook geschreven als: Soyse, Zoys, Suysen Sose. Waarschijnlijk betekent "Soest" bron op de grens van hoge en lage gronden, respectievelijk Utrechtse Heuvelrug en Eemvallei; of het komt van: nederzetting aan de "zijde-oost" (Soest) van de Utrechtse Heuvelrug.

Op de vreedzame Eng werd vaak strijd geleverd. Al in 1278 vond daar de eerste militaire gebeurtenis plaats. Deze was niet van betekenis voor de geschiedenis van Nederland, maar wel voor de eeuwige strijd tussen Utrecht en Holland. De veldslag van 1278 ging tussen de Amstelaren en Woerdenaars enerzijds en de Stichtse benden anderzijds. De laatsten moesten in deze strijd het onderspit delven.

De bestaansbronnen tijdens de Middeleeuwen waren: landbouw op de hoog gelegen Eng, turfwinning in het Soesterveen, schapenhouderij op de uitgestrekte heidevelden, bijenteelt en in mindere mate veeteelt. Ambacht en huisnijverheid hielden hiermee gelijke tred.

Soest ontwikkelde zich als een typisch éénzijdig wegdorp. Op de Eng het akkerland en de boerderijen als een lint langs de voet van de Eng. De uiteinden van het langgerekte brinkdorp werden gevormd door Kort-End (de huidige omgeving van de Ferd. Huycklaan), verbonden door het (oude) Kerkpad met het Lang-End (omgeving Burg. Grothestraat) met in het centrum de Kerkebuurt met de Oude Kerk.

Daarnaast waren er nog andere buurtschappen: het Hart, de Bunt (Soest-Zuid), Achter den Eng (omgeving Nieuweweg), het Veen, de Birkt en den Berg of Soesterberg.

Ook van belang voor de samenleving van Soest is geweest de stichting van twee kloosters "Mariënburg" aan de Eemstraat, waar nu de boerderij "Het Klooster" ligt en "Mariënhof" aan de Birkstraat.

Een mijlpaal in de geschiedenis van de gemeente was het verkrijgen op 26 september 1472 van het schepenrecht van Bisschop David van Bourgondië.

Vervolgens is Soest vele malen geplunderd en afgebrand, maar steeds wist het zich te herstellen. Einde 18e eeuw was Soest nog een klein agrarisch dorp van nog geen 1200 zielen. Begin 1800 kwamen de veranderingen, zo kreeg men andere bestuursvormen.

De Rijksstraatweg Naarden-Amersfoort werd tussen 1815 en 1817 aangelegd. In 1823 wordt Schout Gerrit Steijn van Hensbroek de eerste burgemeester van Soest. In 1869 werden 16 straatlantaarns geplaatst; op 1 juli 1895 ging de Soester Paardetram rijden; op 27 juni 1898 werd het spoorwegtraject Utrecht-Baarn geopend. Dit alles veranderde echter weinig aan het rustige plattelandsleven in Soest.

Na 1920 begon Soest te groeien en in 1930 telde men al 15.000 Inwoners. Dit was voor de gemeente aanleiding om in de jaren twintig een uitbreidingsplan op te stellen. In 1945 was de gemeente een dorp geworden van 22.000 zielen; in 1960 waren het er 28.500; in 1970 37.500 in 1 januari 1975 38.764 en op 1 januari 1999 44.106.

Het jaar 1029 rekent men als het ontstaan van de gemeente Soest. In 1929 werd het 900-jarig bestaan op grootse wijze gevierd en in 1979 het 950-jarig bestaan.

Sinds de oprichting van de Luchtvaartafdeling op 1 juli 1913 is Soesterberg bekend geworden over de gehele wereld. In vroegere tijden was er slechts heide. In de 17e eeuw verlieten vele Soesters Soest, trokken over den Berg en vestigden zich op de heide. De reden van hun vertrek was armoe en zucht naar zelfstandigheid. Het waren voornamelijk kleine boeren, heiboeren in die tijd genoemd.

Hun plaggenhutten stonden in de hei verscholen, ver van de weg. Dit omdat ze bang waren voor de struikrovers die in die tijd veelvuldig "optraden".

Op de heide trof men een rijke wildstand aan. Dat betekende dat onder de nieuwe bewoners veel stropers zaten. Vele boeren gingen de bijenteelt beoefenen, terwijl als huisnijverheid veel aan bezembinderij werd gedaan, per slot van rekening was de hei als materiaal dichtbij.

Zo'n honderd jaar geleden was er in Soesterberg nog geen kerk. De mensen moesten over - de berg - naar Soest. Hierin kwam verandering toen Soesterberg een parochie werd, voordien sprak men van "streek".

De naam Soesterberg komt van de berg op de heide (Heiberg) in de gemeente Soest. Natuurlijk is "berg" een groots woord.

Soesterberg heeft geen grote geschiedenis. Toch liep er in de 17e eeuw een verkeersweg, welke door Napoleon in 1800 bestraat werd. Het werd toen een heirbaan; het was de weg van Amsterdam naar Arnhem. In Huis ter Heide, even buiten Soesterberg, vindt men nog Huis ter Halve. Hier stopte de postkoets: de reeds eerder genoemde struikrovers zagen deze van verre aankomen en konden zo hun maatregelen nemen.

Wat de Herberg de Drie Ringen voor Soest was in die tijd, dat was 't Zwaantje voor Soesterberg. Ook hier speelde zich een passage af uit het boek van Jacob van Lennep (Ferd. Huyck).

Langzamerhand verdwenen de plaggenhutten en maakten plaats voor eenvoudige boerderijtjes. Veel grond in Soesterberg behoorde aan de familie Bosch van Drakenstein toe. Dezen waren de Soesterbergers goed gezind. Carolus Borromaeus Bosch van Drakenstein gaf zelfs de grond voor de bouw van de R.K.-kerk. Een grafkelder van de familie bevindt zich op het R.K.-kerkhof.

Begin 1900, met de ontwikkeling van het verkeer, werd Soesterberg ontdekt als één der schoonste parels in de Stichtse Lustwaranda. Het werd een goed bereikbaar villadorp. Telde het dorp in 1900 nog slechts 300 inwoners, na de komst van de eerste vliegtuigen zoals de Aviatik in 1913 werden het er 600.

De middenstand en de industrie ontwikkelden zich. In 1940 waren er 2.300 inwoners, in 1965 6.100, in 1975 5.500 en in 1998 ruim 6.000.